Een vrouw is onderweg naar het blauwe uur.

Haar stap splijt het spitsuur.

In de stad droomt een man een kleine ontreddering.

Waar zij gaat, gloeit een ondagelijks licht aan.

Boven de avond wordt het ochtend.

Een lauwe bries voert zout, lust en verte aan.

Alles krijgt een koorts.

De dag schijnt een zweer.

Kinderen huilen, katten schuilen.

Het is nu tijd, maar niemand weet meer wanneer.

Geruchten doen razend de ronde.

Een vrouw op stap ontwricht zelfs het licht.

De straten ruiken naar einde, leven en oude zonde.

Toen liep zij een hoek om in de man.

De man werd wakker en de stad sprak.

Uit gewoonte en ochtend.